Architectuur

J.J.P. Oud

Het landgoed van Stichting Bio is een gemeentelijk monument.

Het Bio-herstellingsoord is in de jaren 1952-1960 ontworpen door de architect J.J.P. Oud.
Nu is hij misschien wat minder beroemd, maar in die tijd had Oud (1890-1963) grote naam in de kunst en architectuur.

  naam plaatje  

Deze architect kreeg rond 1920 bekendheid door onder meer zijn samenwerkingsprojecten met Theo van Doesburg en Gerrit Rietveld, kunstenaars die lid waren van de groep avant-garde kunstenaars rond het tijdschrift De Stijl.

Als architect in dienst van de Gemeentelijk Woningdienst in Rotterdam verwierf hij voor de Tweede Wereldoorlog internationale faam met woningbouw voor arbeiders. Zijn projecten werden in zeer veel architectuurtijdschriften als vernieuwend gepubliceerd. Hij is ook de ontwerper van het nationaal monument op de Dam, in Amsterdam, samen met de beeldhouwer John Raedeker. Behalve het Bio-herstellingsoord, heeft Oud in Arnhem een woonbuurt in de wijk Presikhaaf ontworpen, deze is inmiddels afgebroken.

In de jaren vijftig werd Bio door de overheid gevraagd onderzoek te doen naar de haalbaarheid van een plaats waar poliopatiëntjes konden worden behandeld. De stichting kocht een stuk grond in Arnhem aan, waar architect J.P.Oud het Bio-Herstellingsoord voor ontwierp.

Omdat de noodzaak voor een opvangplaats voor poliopatiëntjes minder noodzakelijk was geworden ging bij de opening in 1960 ging het herstellingsoord van start als revalidatiecentrum voor kinderen met een lichamelijke beperking. Zij leerden hier omgaan met hun beperking, bijvoorbeeld in de sporthal en het therapiebad, die midden op het terrein liggen. Opvallend aan het sportgebouw is de toren, die lijkt op een duiktoren, maar bedoelt is als een uitzichtpunt. Bezoekers konden tijdens een rondleiding over het terrein vanaf deze belvedère het hele complex overzien. Dat was belangrijk omdat de Bioscoopbond haar gelden verwierf als vrijwillige bijdrage van particulieren.

Kenmerkend voor Ouds ontwerp is de opzet in afzonderlijke paviljoens. Hij wilde voorkomen dat een kind zich ongelukkig zou voelen in een groot gebouw dat snel zo massaal en onpersoonlijk is. In plaats van concentratie in een groot verzamelgebouw, verdeelde hij alle functies in verschillende gebouwen over het terrein. Centraal bij de hoofdentree ligt het hoofdgebouw. Hier zetelde de directie en administratie, en waren tevens een medische onderzoekskamer en een wasserij voor het linnengoed. In de keuken werd het eten gemaakt dat elke dag met karretjes naar de kinderen werd gebracht. Op de verdieping waren kamers voor de verpleegsters die intern op het terrein woonden. Het hoofdgebouw schermde het complex af van de grote weg, zodat het op de rest van het terrein veilig en rustig was. Recht achter dit gebouw ligt het ketelhuis, waar de verwarmingsketel staat die het hele terrein van warm water voorzag. Verder op het terrein liggen op een symmetrisch stramien de kinderpaviljoens waar groepen kinderen van ongeveer acht personen als in een gezin leefden. Redelijk vooruitstrevend was dat jongens en meisjes gemengd waren. De opzet in kleine paviljoens had tot doel de kinderen zoveel mogelijk het gevoel te geven in een gewoon gezinsverband te zijn, ondanks het verblijf afgezonderd van het huisgezin.

Oud gaf het hele terrein een rustige en heldere uitstraling, met de bedoeling een montere atmosfeer te bereiken. De vrolijke beeldende kunst, met een bijzonder geglazuurd tegeltableau van de kunstenaar Karel Appel bij de ingang, versterkte die opzet. Bij het sportpaviljoen staat een beeldengroep van ‘dieren in het woud’, gemaakt door beeldhouwer Rudy Rooijackers. Het was er allemaal op gericht de revalidatie-functie zo goed mogelijk te ondersteunen. Oud was er daarom op tegen dat in de twee vijvers bij het hoofdgebouw op een gegeven moment teveel eenden zwommen. Naar zijn mening verstoorde het gefladder en gekwaak van de watervogels de serene rust rond de witte paviljoens in de bossen. Na een bezoek aan het Bio-herstellingsoord enige jaren na de oplevering liet hij in een brief aan het toenmalige hoofd hierover zijn ongenoegen blijken. De eenden, waar de kinderen overigens veel plezier aan beleefden, dienden verplaatst te worden naar een kinderboerderij, bij voorkeur achter op het terrein. Het geeft goed aan hoe serieus Oud zijn taak nam en hoezeer hij begaan was met de zorg voor de kinderen.

Later is het complex diverse malen uitgebreid. In 1963-1964 is onder meer de Bio-Mytylschool gebouwd, waar niet alleen kinderen van het herstellingsoord maar ook uit Arnhem onderwijs konden volgen. Deze school is ontworpen door Hans Oud, de zoon van J.J.P. Oud. Meer recent zijn enkele paviljoens bijgeplaatst en is bij de school een nieuw gedeelte gebouwd.

Door Dolf Broekhuizen.

Wie nog meer wil weten over de architectuur van het Bio-herstellingsoord kan lezen: D. Broekhuizen, De Stijl toen – J.J.P. Oud nu. De bijdrage van architect JJP Oud aan herdenken, herstellen en bouwen in Nederland, 1938-1963, Rotterdam, NAi uitgevers.
In dit boek is op pagina 235-265 het ontwerp- en bouwproces van het Bio-herstellingsoord uitvoerig beschreven.